Tijdens een door LTO Groeiservice georganiseerde excursie op het bedrijf van Cor van Staalduinen, teler van sperzie- en snijbonen, discussieerden telers onder andere over het vegetatief en generatief sturen van de groei van een bonengewas.
Staalduinen teelt op perlitebakken- en zakken, omdat hij het gewas dan beter kan besturen. Hij koos ook voor dit substraat omdat het relatief goedkoop is, het tijdens de teeltwisseling makkelijk is op te ruimen en omdat de planten er goed in doorwortelen. Bij gebruik van zakken is het wel belangrijk deze onderin open te snijden om ze helemaal uit te laten draineren. De standaard draingaatjes zitten wat hoger, omdat vruchtgroentetelers willen dat er altijd een klein laagje water in de zak blijft staan. Door tijdelijk geen water meer t geven is een te sterk groeiende plant op perlite te temmen, zodat deze weer generatief komt te staan en gaat bloeien. Van Staalduinen schrikt er niet van als er een paar bladeren verbranden omdat dat omslagpunt te bereiken.
Andersom is een vegetatieve sturen helemaal geen probleem: zodra weer water wordt gegeven, gaat het gewas groeien. Een generatieve sturing is ook te bereiken met meer stoken, maar Van Staalduinen vindt de gasprijs daarvoor te hoog. In verband met dat laatste stookt hij de luchtramen s ochtends niet meer open met de buizen, zoals voorheen gebruikelijk, maar hij zet ze nu volop open tijdens warmere nachten. De temperatuur loopt dan overdag minder snel hoog op. Een bonengewas heeft een hekel aan de combinatie hoge temperaturen en lage rv. Rond de 15.00 uur knijpt hij daarom de stand van de luchtramen, om vocht te sparen.
Stikstof beperken
Behalve de watergift is ook een beperking van groeibevorderende stikstofgiften belangrijk voor een generatieve sturing. Van Staalduinen ziet de, tot de vlinderbloemigen behorende, bonenplanten ook op perlite volop stikstofknolletjes maken en zelf stikstof produceren. Hij beperkt de stikstofgift door meststoffen te gebruiken met minder stikstof: kalisalpeter wisselt hij bijvoorbeeld in voor kalisulfaat, magnesiumnitraat voor bitterzout en ammoniumnitraat voor ureum. Met dat laatste is het wel erg oppassen voor verbranding. Een cijfer van 7 tot 8 millimol stikstof vindt hij al meer dan genoeg. Het vaak standaard bij een analyserapport gegeven advies van 15 mmol vindt hij te veel, maar op sommige bedrijven komt hij ook waarden van 20 mmol tegen. Telers maken makkelijk de fout meer water en mest te gaan geven bij een toenemende plantbelasting, zoals bij vruchtgroente. Bij bonenplanten leidt dat echter juist tot veel groei, die explosief kan toenemen zodat de plant zonder water komt te staan. In de start- en groeifase gebruiken de planten de meeste meststoffen en na de bloei vraag het gewas nauwelijks nog iets. Door het hoge drogestofgehalte in de bonen nemen de planten minder stikstof op dan vruchtgroentegewassen. Van Staalduinen laat daarom in grote lijn de start-ec van 3 mS geleidelijk richting 2,3 of 2,0 dalen in de periode tussen beginnende bloei en boonvorming.
Bron: Groenten & Fruit week 30 2005